Ga naar hoofdinhoud

Trainen en heel houden

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [category_name] => trainen-en-heel-houden
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [category_name] => trainen-en-heel-houden
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [static] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [tag] => 
            [cat] => 3
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [paged] => 0
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 6
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => category
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => trainen-en-heel-houden
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => pk_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [category] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => trainen-en-heel-houden
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => pk_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 3
            [name] => Trainen en heel houden
            [slug] => trainen-en-heel-houden
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 3
            [taxonomy] => category
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 6
            [filter] => raw
            [cat_ID] => 3
            [category_count] => 6
            [category_description] => 
            [cat_name] => Trainen en heel houden
            [category_nicename] => trainen-en-heel-houden
            [category_parent] => 0
        )

    [queried_object_id] => 3
    [request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  pk_posts.ID FROM pk_posts  LEFT JOIN pk_term_relationships ON (pk_posts.ID = pk_term_relationships.object_id) WHERE 1=1  AND ( 
  pk_term_relationships.term_taxonomy_id IN (3)
) AND pk_posts.post_type = 'post' AND (pk_posts.post_status = 'publish') GROUP BY pk_posts.ID ORDER BY pk_posts.post_date DESC LIMIT 0, 6
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 939
                    [post_author] => 3
                    [post_date] => 2013-09-22 13:28:02
                    [post_date_gmt] => 2013-09-22 13:28:02
                    [post_content] => DOETINCHEM – Veel sportpaarden raken niet fitter en sterker, maar juist geblesseerd als gevolg van training. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van Paardenkliniek De Watermolen uit Haaksbergen en Jacques Maree van Dierenkliniek Honselersdijk spiegelen hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer.



Een gemiddelde tennisspeler zal zich zeer beslist door Roger Federer met drie keer 6 – 0 van de baan laten slaan. Dat is voor een mens wel aardig om een keer mee te maken, maar als sporter krijg je er al gauw de balen van als je elke dag tegenover Federer zou komen te staan. Elke keer weer zou je dan dingen moeten doen die het uiterste van je vergen en – hoezeer je ook je best doet – telkens opnieuw zou op een pijnlijke manier blijken dat je tegen deze taak niet opgewassen bent.

Veel sportpaarden staan elke dag tegenover Roger Federer. Ze moeten dingen doen die ze niet kunnen of waar ze nog niet aan toe zijn. Ze willen eigenlijk wel, maar ze hebben een ruiter die hen niet begrijpt. En die onmogelijke dingen van hen vraagt.

Paarden tonen van nature op een aandoenlijke manier de wil om voor hun ruiter te werken. Zeshonderd kilo zwaar, vaak voorzien van een eindeloze hoeveelheid energie en steeds bereid om dingen te leren. Maar dat lukt alleen als de ruiter gebruikmaakt van het specifieke leervermogen van zijn paard. Alleen als de ruiter zijn paard snapt, snapt het paard zijn ruiter.

De kunst van de rijkunst is om het paard te laten doen wat wij leuk vinden. Maar één ding is zeker: het paard laat zich niet dwingen. De kunst is dus om het paard zélf de dingen te laten doen die wij van hem vragen. Ruiter en paard oogsten alleen successen als het paard in alle fasen van de opleiding zowel fysiek als mentaal is opgewassen tegen zijn taak. En als hij door goede communicatie met zijn ruiter snapt wat de bedoeling is.

Valkuil voor springruiters

In de springsport zie je jonge paarden in de barrage weleens dingen doen waar ze nog niet aan toe zijn. De eigenaar blij maken met een strik of een beker is een bekende valkuil voor springruiters. Ongecontroleerde acties in het parcours hebben niet alleen een duidelijk acuut blessurerisico, jonge paarden zijn ook gevoelig voor het zogenaamde triple F-syndroom: Fear, Flight en Fight, oftewel angst, vluchten en vechten. Hierbij komen hoge doses stresshormonen vrij zoals cortisol en adrenaline. Dierenartsen danken een deel van hun praktijk aan het feit dat sommige ruiters hun paarden niet snappen. Dóórtrainen als er bij het paard een barrière is – lichamelijk of mentaal – leidt onherroepelijk tot blessures. Maar ook overtraining is een probleem. Op het voorterrein zie je tot op het hoogste niveau dat paarden steeds weer bepaalde oefeningen moeten herhalen. Terwijl de bedoeling van het losrijden is dat het hoogtepunt van de inspanning pas daarna komt, in de wedstrijdring. Het lijkt dat de wens om uiterste controle te hebben dan de overhand krijgt. Of moet de ruiter vooral zijn eigen zelfvertrouwen opvijzelen, door op het voorterrein steeds maar weer die moeilijke oefening te herhalen?

‘High suspensory’ van het achterbeen

Feit is dat paardenartsen onder oudere dressuurpaarden problemen tegenkomen bij de hoge aanhechting van de tussenpees in het achterbeen. Eigenlijk dus het omgekeerde van de situatie die ze bij jonge dressuurpaarden aantreffen (‘high suspensory’ van het voorbeen). De zeer frequente herhaling van verzamelde oefeningen is de oorzaak. Bij springpaarden doen zich ook wel vrij regelmatig blessures aan de tussenpees voor, maar dan treedt de weefselschade vaak in het lagere deel van de tussenpees op. Sommige paarden worden niet moe in hun hoofd, maar hun benen worden dat wel! Vooral paarden met veel bloed en kwaliteit ‘vertellen’ niet dat ze moe zijn, maar hun ruiters moeten beseffen dat een bepaalde trainingsinspanning automatisch vraagt om een bepaalde rust. Over de vermoeidheidsgrens heen werken gaat ten koste van de coördinatie. Oververmoeide spieren vangen niet langer de bewegingsenergie op, die komt dan volledig voor rekening van pezen, banden en kapsels. Met blessures van deze weke delen als gevolg.

‘Verwende’ paardenbenen

Topsport staat gelijk aan het verleggen van fysieke en mentale grenzen. Vergeleken met dertig jaar geleden hebben sportpaarden tegenwoordig het voordeel dat ze op bodems lopen die zeer geschikt zijn voor het leveren van topprestaties. Maar dat voordeel is gelijk een nadeel: paardenbenen kunnen ook ‘verwend’ raken, niet voldoende weerbaar als de bodem een keer slecht is. Omdat er sprake is van een onberekenbare factor – de ruiter – is het lastig om hierin eenduidig te adviseren. Een slechte ruiter die zijn paard zo af en toe op een mindere bodem traint is wel de slechtst denkbare combinatie. Dat neemt niet weg dat paarden onder gecontroleerde omstandigheden kennis moeten maken met verschillende bodemomstandigheden. Zo af en toe longeren in een wat diepere bodem maakt de spieren sterker en het geeft prikkels aan de weefsels (kapsels en banden) die voor stabiliteit in de paardenbenen zorgen. Een instabiele bodem, die op onverwachte momenten onvoldoende steun biedt, is in alle gevallen slecht.

Krachtig spierpakket

Vermoeide spieren die de krachten van belasting en beweging niet aankunnen, leiden tot blessures aan verschillende soorten gewrichtsbanden. Zoals mensen hun enkelbanden scheuren, kunnen paarden schade oplopen aan bijvoorbeeld de banden van het hoefgewricht. Een paard met een goed getraind, krachtig spierpakket en met banden en kapsels die geconditioneerde prikkels hebben ontvangen, is het best voorbereid op het leveren van topprestaties.

Appuyeren

De knie in het achterbeen is een gecompliceerd gewricht met verschillende benige (meniscus, patella) en weke (kruis- en kniebanden) delen. Volgens Moeder Natuur bewegen paardenbenen alleen naar voren en naar achteren, maar in de hogere dressuurklassen wordt veelvuldig geappuyeerd. Door de frequente zijwaartse beweging ontstaat bij oudere dressuurpaarden soms een blessure in de knie: slijtage van de kruisbanden en/of de meniscus of artrose.

Zesde en zevende halswervel

[caption id="attachment_941" align="alignright" width="300"] Het stellen van de diagnose bij halsproblemen is lastig, maar vaak vermoeden dierenartsen dat de pijn in het gebied van de zesde en de zevende halswervel zit.
© WWW.ARND.NL[/caption] Sommige sportpaarden ondervinden halsproblemen. Op zich is dit voor het stellen van de diagnose een lastig terrein: in tegenstelling tot een kreupelheidsonderzoek van het fundament kan er in de hals niets ‘uitgeblokt’ worden. Maar vaak vermoeden dierenartsen al waar de pijn zit: in het gebied van de zesde en de zevende halswervel. Dierenartsen zijn niet zeker of hier sprake is van een gevoelige plek die bij een trauma (vastzitten in het voerhek, hangen aan het halster) als eerste geraakt wordt of dat verkeerde rijkunst de artrose veroorzaakt. Bekend is dat dressuurpaarden de meeste stresshormonen aanmaken en het meeste weerstand tonen als zij in de wedstrijdhouding lopen. Te veel en te ‘strak’ in een hoge houding gereden worden kan deze blessure in de hand werken. Maar ook erfelijkheid zou een rol kunnen spelen. “Halswervelartrose is een wezenlijk probleem”, zegt Jacques Maree. “Het zou interessant zijn om daar eens praktijkonderzoek naar te doen. Paarden met deze aandoening kunnen alleen nog maar met een lange hals lopen en soms ontstaan ook coördinatiestoornissen.”

Kissing spines

Voor veel dierenartsen is ‘kissing spines’ een omstreden diagnose. Op de röntgenfoto zie je weliswaar dat de doornuitsteeksels van de rug- of lendenwervels elkaar raken waardoor verkalking is ontstaan. Maar het is maar helemaal de vraag wat dit betekent. Jan Greve: “Op de röntgenfoto zie je alleen het puntje van de ijsberg, dat doornuitsteeksel. Maar er bevindt zich een veel groter en belangrijker gebied daaronder dat je niet ziet: het wervellichaam en nog drie andere uitsteeksels. Je kunt zo’n wervel inspuiten en je ervan vergewissen of dat verschil uitmaakt. Maar dan weet je nog niet precies waar het probleem zit.” Onderzoek van de Britse orthopedisch specialiste Sue Dyson wees uit dat het maken van röntgenopnamen van de rug in het kader van een aankoopkeuring geen nut heeft. Röntgenologische veranderingen in de rug komen bij paarden mét en paarden zónder rugklachten in bijna dezelfde frequentie voor. In de groep zonder rugklachten werden zelfs wat meer veranderingen gevonden, maar dit was in het kader van een wetenschappelijk onderzoek niet significant.

Pijn = braaf

Veel minder dan andere dieren tonen paarden dat ze pijn hebben. Als het probleem zich bevindt in een been of een voet zie je een duidelijk waarneembare kreupelheid. Maar een paard kan heel goed pijn hebben en níet kreupel zijn. Uit gedragsverandering is vaak af te leiden dat een paard pijn heeft. Een levendig paard dat op een gegeven moment erg braaf is en minder looplust toont, heeft naar alle waarschijnlijkheid pijn. [post_title] => 6. Als ruiter paard snapt, snapt paard ruiter [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 6-als-ruiter-paard-snapt-snapt-paard-ruiter [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:13:53 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:13:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=939 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 935 [post_author] => 3 [post_date] => 2013-06-10 13:21:40 [post_date_gmt] => 2013-06-10 13:21:40 [post_content] => DOETINCHEM – Veel jonge sportpaarden raken niet fitter en sterker, maar juist geblesseerd als gevolg van training. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van paardenkliniek De Watermolen uit Haaksbergen en Jacques Maree van paardenkliniek Honselersdijk spiegelen hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer. Het is geweldig dat de moderne sportpaardenfokkerij erin slaagt om steeds meer toptalenten voort te brengen. Maar in onkundige handen is talent óók een valkuil. Veel dressuurpaarden worden als veulen al aangekocht omdat ze zo geweldig bewegen. Vier jaar later moet er in de Pavo Cup of Subli Cup nog een schepje bovenop. Hetzelfde geldt voor jonge springpaarden met veel kwaliteit. Met een halve meter lucht over het parcours gaan ziet er stoer uit. Maar jong toptalent verdient het om tegen zijn eigen kwaliteit in bescherming te worden genomen. Die bescherming betaalt zich later in de hogere sport ruimschoots uit. Voor vierjarige – dus heel jonge – dressuurpaarden is het systeem van de Pavo Cup meer geschikt dan de Subli Cup waarbij een officiële proef wordt verreden. Dit betekent aanzienlijk meer trainingsarbeid en geeft ook aanleiding tot een wat meer geforceerde manier van trainen. Ook de mentale belasting past in de Pavo Cup beter bij de ontwikkeling van een vierjarige doordat hij met andere paarden in de baan is. Afgezien van de competitievorm ligt de focus bij de wedstrijden voor jonge dressuurpaarden te veel op de uitgestrekte gangen. Groot, groter, grootst betekent voor veel jonge dressuurpaarden dat ze problemen krijgen in de hoge aanhechting van de tussenpees (high suspensory) in het voorbeen. Het repeterend rijden van de uitgestrekte draf werkt als het heen en weer buigen van een theelepeltje. Dat gaat een poos goed, tot het lepeltje breekt.

Lagere versnelling

Ruiters kunnen daar zelf al veel aan doen door een ‘lagere versnelling’ als basis te kiezen. Het gaat immers om het tonen van een verschil tussen de arbeidsgang en de uitgestrekte gang. Rijd gewoon wat rustiger in de basisgang, dan kun je in de uitgestrekte gang zonder al te veel druk een verschil in paslengte laten zien. Maar ook de hippische organisaties kunnen veel doen om veterinaire problemen bij jonge paarden tegen te gaan. Door passende wedstrijdreglementen uit te schrijven en juryleden goed te instrueren en te trainen. In de reglementen moet minder nadruk komen te liggen op verruiming en met zeer simpele oefeningen moet er meer focus komen te liggen op achterbeengebruik. Elke dressuurbaan heeft vier hoeken en dus vier mogelijkheden om te beoordelen hoe het achterbeen reageert op een veranderend evenwicht. Een slangenvolte stelt die balans nog meer op de proef en ook dan is heel goed te beoordelen of het achterbeen – door snel te reageren en onder de massa te komen – in staat is om het evenwicht te behouden.

Telefoondraden

Met de beschrijving van de fokstandaard voor het dressuurpaard heeft het KWPN het summum van de africhting tot uitgangspunt van de fokkerij gemaakt. Het is onjuist om iets van zeer jonge paarden te verwachten wat de FEI pas aan het eind van een succesvol verlopen africhting verlangt. Daarom moeten juryleden in wedstrijden voor jonge dressuurpaarden niet toelaten dat ruiters de eigen houding van paarden met hun handen corrigeren. Cees Nooren, de vader van springcoach Henk Nooren, zei vroeger al: “Teugels zijn geen trekkabels, maar telefoondraden. Je praat ermee met je paard.” Jonge paarden met een afgedwongen houding horen dus niet hoog te scoren in Subli of Pavo Cup. De beoordeling van de balans en de lichaamshouding bij het hals laten strekken moet een belangrijk onderdeel van de proef zijn. Want dan lopen de paarden op hun eigen benen. Jonge dressuurpaarden die daarbij nog wat horizontaal zijn, zouden niet op elk onderdeel van het protocol moeten worden afgestraft. De weg van een groen paard met zestig procent van zijn massa op de voorbenen naar een Grand Prix-paard in opperste verzameling is lang en dat moet ook in de beoordeling tot uitdrukking komen. Overigens kan de lichaamshouding pas worden beoordeeld als het paard in beweging is. Met een krachtig gebruik van het achterbeen kan een paard immers een relatief kort voorbeen compenseren.

Intrinsieke zwaktes

Bij jonge dressuurpaarden is sprake van een typische blessure als gevolg van overbelasting: de eerder genoemde problemen bij de hoge aanhechting van de tussenpees onder de voorknie. Iets vergelijkbaars is er niet bij jonge springpaarden. Wat niet wil zeggen dat die nooit overbelast worden. Dit uit zich echter niet in één specifieke aandoening. Wel treden soms intrinsieke zwaktes in met name het kootgewricht (kogelartrose) en het hoefkatrolgebied (ondervoet) aan het daglicht als je met jonge springpaarden gaat trainen. Die problemen vloeien dan niet voort uit overmatige belasting; door de belasting worden ze merkbaar. Toch geldt voor zeer kwaliteitsvolle springpaarden hetzelfde als voor dressuurpaarden met veel beweging. Ze verdienen bescherming. Heel voorzichtige jonge springpaarden, die sterk reageren op het hout, moeten echt de tijd krijgen om normaler te gaan springen en te wennen aan ‘kijkerige’ hindernissen. Regelmatig trainen over lage parcoursen moet dit soort paarden tot ontspanning brengen, zodat ze hun lichaam niet hebben opgesoupeerd voordat het serieuze werk nog maar is begonnen.

Hippologische onkunde

Er is nooit onderzoek naar gedaan, maar de gemiddelde leeftijd van dressuurpaarden in de sport zou wel eens lager kunnen liggen dan die van springpaarden. Het is een ervaringsfeit dat betrekkelijk veel dressuurpaarden met trainingsgerelateerde problemen in het zorgcircuit van dierenartsen en paraveterinairen verzeild raken. Het overgrote deel van deze gevallen is uiteindelijk te herleiden tot hippologische onkunde. Het probleem is dan ontstaan doordat een ruiter niet goed genoeg rijdt of doordat die ruiter doortraint met een paard dat niet tegen zijn taak is opgewassen. ‘Ik zal hem wel eens even leren om dit of dat te doen’ levert eigenlijk nooit succes op. Sommige oefeningen kun je elk paard paard bijbrengen, maar een paard dat sterk op de voorhand beweegt of dat zijn achterbenen niet onder de massa brengt, is niet veranderbaar. Pogingen daartoe eindigen maar al te vaak bij de dierenarts. Evenals het met dwang bijbrengen van oefeningen waar een paard fysiek en mentaal nog niet aan toe is. Regelmatig in de spiegel kijken en vragen: ‘ben ik goed genoeg?’ en ‘is mijn paard goed genoeg?’ kan een hoop problemen voorkomen.

Niet trainen met bandages

[caption id="attachment_937" align="alignright" width="300"] In gebandageerde paardenbenen zijn temperaturen van ruim boven de veertig graden gemeten.
© WWW.ARND.NL[/caption] Nog steeds bandageren veel ruiters hun paarden voordat ze gaan trainen. Dit is slecht voor de pezen. Bij het rekken en strekken van pezen ontstaat warmte. Die kan niet worden afgevoerd als de paardenbenen zijn gebandageerd. Er zijn in gebandageerde paardenbenen temperaturen van ruim boven de veertig graden gemeten. Bij deze verhitting beginnen eiwitten (waaruit peesweefsel in belangrijke mate is opgebouwd) te denatureren. Dan verliezen de eiwitmoleculen hun structuur en daarmee hun functie. En dit proces is onomkeerbaar. Jacques Maree: “Op een warme dag kun je op de motorkap van je auto een ei bakken. Dat is hetzelfde als wat er met de verhitting van eiwitten in peesweefsel gebeurt.” Veel eigenaren zullen de benen van hun dierbare en kostbare paarden willen beschermen. Over het daadwerkelijke nut daarvan kan men discussiëren. Maar áls je beschermers gebruikt, let er dan op dat de paardenbenen in de training warmte af kunnen geven.

Slofteugel als afrastering

In onkundige handen kunnen hulpteugels gemakkelijk schade berokkenen. Jan Greve: “Ik heb geen enkel bezwaar tegen de slofteugel. Maar wel als je ‘m voor iets anders gebruikt dan waarvoor hij is bedoeld: als begrenzing. De slof vertelt het paard dat hij met zijn hoofd niet naar boven mag. Maar dat is heel iets anders dan een slof die het paard vertelt dat hij met zijn hoofd naar beneden of naar achteren móet. Het is net als met de weideafrastering: dat is een waarschuwing die geen kwaad kan. Tot je erin terechtkomt.” [post_title] => 5. Talent verdient het om beschermd te worden [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 5-talent-verdient-het-om-beschermd-te-worden [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:11:45 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:11:45 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=935 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 929 [post_author] => 3 [post_date] => 2013-05-13 13:16:17 [post_date_gmt] => 2013-05-13 13:16:17 [post_content] => DOETINCHEM – Veel jonge sportpaarden raken niet fitter en sterker, maar juist geblesseerd als gevolg van training. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van paardenkliniek ‘De Watermolen’ uit Haaksbergen en Jacques Maree van dierenkliniek Honselersdijk spiegelen hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer. Na de bespreking van het functionele exterieur en een gezonde opfok is deze serie beland bij een cruciaal punt: de natuurlijke aanleg van het sportpaard. In welke tak van paardensport een ruiter-paard-combinatie ook uit zal komen, in alle gevallen zal de ruiter succesvol willen zijn dankzij een paard dat zijn werk goed aankan. Omgekeerd geredeneerd staat een paard weinig welzijn te wachten als hij werk moet verrichten waartegen hij niet is opgewassen. Het belangrijkste onderdeel van een sportpaard is niet te zien. Dat zal de reden zijn waarom er aan het zenuwstelsel van het paard weinig aandacht wordt besteed. De mens is geneigd om uit te gaan van wat hij ziet, het ligt nu eenmaal meer voor de hand om dingen te verklaren vanuit het waarneembare. Wat we niet zien wordt dan als vanzelf genegeerd. Maar de natuurlijke aanleg van een sportpaard wordt veel minder bepaald door datgene wat we zien - de beenstanden en de bespiering - dan door het zenuwstelsel dat de spieren en botten in beweging brengt.

Bedrading

Een direct afgeleide van die zo cruciale ‘bedrading’ is uiteraard heel goed zichtbaar: de kwaliteit in beweging! Dan zien we de natuurlijke reflexen. Aan een jong, ongetraind paard is al goed te zien hoe het fysiek gesproken functioneert. ‘Sie sind sowie sie sind’, zei de grote Duitse paardenkenner Maas Hell al. De Engelse variant luidt: ‘What you see is what you get’. Door training kun je een paard sterk en weerbaar maken, meer uithoudingsvermogen geven en in geconditioneerde omstandigheden kun je hem zeker ook dingen leren. Maar telkens wanneer het paard op zichzelf terug moet vallen, zal het in beweging zijn natuurlijke patroon van reflexen hanteren. Dit is een belangrijke constatering voor ruiters als zij besluiten om een jong paard in training te nemen: zij krijgen – zo lang het paard leeft – met de reflexen, de reactiviteit en de sensibiliteit te maken die zij aan dat jonge paard al kunnen waarnemen. Eén nuancering is hier op z’n plaats: bij een jaarling of tweejarige, die dan snel groeit, is niet altijd goed vast te stellen of een bepaalde bewegingsvorm voortkomt uit slapte of uit gebrek aan coördinatie. Het zichtbare beheerst nog steeds voor een aanzienlijk deel onze exterieurkeuringen. Het sterkste voorbeeld daarvan is de ‘bespiering’ van de hals, die zelfs een apart kenmerk vormt op het lineaire scoreformulier. De gewenste halsronding zou te danken zijn aan spieren, maar in feite bestaat de bovenlijn van de hals grotendeels uit vet.

Spiermassa

Veel beoordelaars zijn geneigd om te letten op spiermassa. Zij gaan er kennelijk vanuit dat spierweefsel altijd dezelfde werking heeft. Méér spierweefsel betekent in hun ogen dan dus ook méér kracht. Maar dat is helemaal niet het geval. Uit de humane wereld weten we al dat tanige mensen meer spierkracht kunnen ontwikkelen dan mensen met meer omvang. Er zijn heel verschillende types spieren en in de hippische sporten gaat het veel meer om de aansturing van die spieren. We zien nog wel eens jonge paarden met opvallend ontwikkelde, ronde bilspieren. Dit kan duiden op coördinatieproblemen. Bij gebrek aan innervatie (zenuwimpulsen) van bepaalde spieren, gaan de spieren die nog wél functioneren compenseren waardoor deze extra aanzetten. Later vallen dit soort paarden door de mand omdat een topatleet nu eenmaal al zijn spiergroepen nodig heeft.

Aanvaarden, niet veranderen

Het onderbrengen van de achterbenen, het optillen van de benen zoals een Hackney dat pleegt te doen (of juist de vlakke bewegingsvorm van de Arabier), de beentechniek en het lichaamsgebruik bij het springen; alle typische bewegingsvormen van paarden worden aangestuurd door het zenuwstelsel. Mensen hebben daar soms eeuwenlang op geselecteerd, waardoor die kenmerkende bewegingsvorm genetisch is vastgelegd. Maar het blijft een aangeboren kwestie dat een paard zo beweegt en springt als hij doet. En het besef neemt gelukkig toe dat de ruiter dat moet aanvaarden als een uitgangspunt, in plaats van het paard koste wat het kost te willen veranderen. In de springwereld was Ian Millar op dit gebied voorloper. De meervoudige Wereldbekerwinnaar en record-Olympiër bracht in Nederland onder meer de jonge Albert Voorn het besef bij dat je als ruiter niets moet willen veranderen aan de eigen manier van springen van het paard.

Vertrouwde omgeving

Dit verklaart ook de hoge correlatie tussen vrijspringen en springen onder de man. Het principe om vrijspringen te hanteren als selectie-instrument is dan ook goed. Onder vertrouwde omstandigheden laten paarden in het vrijspringen zien wie zij werkelijk zijn. Als ze dan veel afdruk hebben en snel boven zijn, of hun voorbenen laten hangen en zich achter vasthouden, zullen ze later in het parcours ook zo zijn. Maar een hengstenkeuring is voor een jong paard helemaal geen vertrouwde omgeving! Juist een heel reactief paard kan zich dan heel anders gedragen dan de eigenaar van hem gewend is. Daarom is het een goed initiatief van enkele Duitse stamboeken om de hengsten voorafgaand aan de keuring al een keer te laten vrij springen in de keuringshal. Exterieur en opfok hebben vooral invloed op de constitutie, op de belastbaarheid en duurzaamheid van het sportpaard. Aanleg is meer een mentale en neurale aangelegenheid. Bij het springen treedt de sport op als scherprechter. Een paard zonder de noodzakelijke reflexen en de daaruit voortvloeiende techniek strandt al gauw. In dressuur kan de mentale instelling bepaalde lichamelijke beperkingen ten dele compenseren. Een dressuurpaard is op grond van een werkwillig karakter ‘maakbaarder’ dan een springpaard. Maar om ver te komen moet een dressuurpaard altijd over de hier beschreven reflexen en reactiviteit beschikken.

Zintuiglijke ervaring

Een dressuurpaard in een zigzag-galoptraversale, een eventer in een combinatiehindernis, een springpaard in een technisch lijntje; al deze paarden moeten enorm reactief zijn en bliksemsnel gevolg geven aan hun zintuiglijke ervaringen. Of het nu het been is van de ruiter of de waarneming van een hindernispaal, dit signaal moet eerst naar de hersenen en dan via het zenuwstelsel naar de spieren die vervolgens weer het locomotieapparaat bedienen. Als dit traject langzaam verloopt is het paard ongeschikt voor de hierboven genoemde werkzaamheden. En in eventing vormen snelle reflexen letterlijk het lijfsbehoud voor ruiter en paard. Op zich is er geen verband tussen de neurale bediening van het bewegingsapparaat en het karakter. Althans: er zijn genoeg ‘vlugge’ paarden met een prettig karakter, zoals er ook genoeg langzame paarden zijn die lastig of tegendraads zijn. Daarbij moeten we opmerken dat lichamelijk onvermogen heel goed tot verzet kan leiden. Een langzaam paard dat heel veel moeite met een bepaalde opgave heeft zal door verzet proberen om het voor hem zware werk te vermijden. Mensen vinden zo’n paard dan lastig, maar in feite vragen ze dingen die het paard niet kan.

Stalondeugd als teken van kwaliteit

Reactieve paarden zijn ook niet op basis van hun ras in te delen: er bestaan lompe volbloeden en ‘rille’ Geldersen. Wel zien we een verband tussen reactiviteit en looplust, c.q. energie. Daarom komen stalondeugden relatief vaak voor onder toptalenten. En totaal niet onder koudbloeden. Lange tijd zijn kribbebijters, wevers, boxwalkers en luchtzuigers uit de fokkerij geweerd, maar eigenlijk zijn deze gedragingen uitingen van energie en gedrevenheid. Hoe ongewenst ook, ze geven eerder blijk van kwaliteit. Het beleid moet er dan ook op gericht zijn om stalondeugden door goed management te voorkomen.

Jumpex

Het Jumpex-onderzoek (uitgevoerd door het toenmalige Proefbedrijf voor de paardenhouderij, de faculteit diergeneeskunde in Utrecht en NHB Deurne) toonde jaren geleden al aan dat paarden zijn zoals ze zijn. De onderzochte paarden bleken onder het zadel op dezelfde manier te springen als ze eerder had gedaan in vrijheid. In dit onderzoek werden twee groepen paarden met elkaar vergeleken. De ene groep was op jonge leeftijd helemaal niet getraind, de anderen hadden als veulen, jaarling en tweejarige al regelmatig vrij gesprongen. In het begin waren er onder het zadel verschillen, na enige training sprongen alle paarden op basis van hun natuurlijke reflexen.   [post_title] => 4. Het belangrijkste zien we alleen in beweging [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 4-het-belangrijkste-zien-we-alleen-in-beweging [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:10:58 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:10:58 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=929 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 926 [post_author] => 3 [post_date] => 2013-04-28 13:11:43 [post_date_gmt] => 2013-04-28 13:11:43 [post_content] => DOETINCHEM – Veel jonge sportpaarden raken niet fitter en sterker, maar juist geblesseerd als gevolg van training. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van paardenkliniek De Watermolen uit Haaksbergen en Jacques Maree van paardenkliniek Honselersdijk spiegelen hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer. In de voorgaande afleveringen keken we naar het uitgangsmateriaal, het exterieur van het sportpaard. Als een functioneel gebouwd sportpaard gezond is en geen gebreken heeft, kan het ook op jonge leeftijd, bijvoorbeeld als 2,5-jarige, al heel goed trainingsarbeid verzetten. Moeder Natuur heeft het jonge, nog ongetrainde paard al van heel veel fysieke mogelijkheden voorzien. En als het paard goed is opgefokt, is de training al lang begonnen voordat de mens in het spel komt. Training heeft uiteraard fysieke effecten. Maar voor een jong paard dat in training komt, begint er vooral ook een mentaal leerproces dat nooit helemaal zonder stress kan verlopen. Fysieke arbeid bij jonge paarden kan tot het zogenaamde triple F-syndroom leiden: Fear, Flight en Fight, oftewel angst, vluchten en vechten. Hierbij komen hoge doses stresshormonen vrij zoals cortisol en adrenaline. Deze kunnen op termijn een negatief effect hebben op de gezondheid van een paard. Met name van cortisol is bekend dat hoge bloedspiegels die lang aanblijven onder meer een negatief effect op kraakbeen kunnen hebben. Het is niet moeilijk voor te stellen dat het triple F-syndroom bij een jong paard kan ontstaan in de eerste fase van zijn africhting. Bij angst is vluchten sowieso het eerste wat het dier bij wijze van natuurlijke reactie zal doen. Als vluchten door het africhten niet mogelijk is, kan het ontaarden in vechten waarbij er door de stress forse blessures kunnen ontstaan.

Telkens stapje verder

Trainen is telkens een stapje verder gaan. Maar daarvoor moet je wel weten wat een paard eerder heeft gedaan. Er zijn enorme verschillen in de manieren waarop jonge paarden worden opgefokt. Als het goed is, heeft de natuur al een mooi begin gemaakt. Bij een gezonde opfok kunnen jonge paarden zich continu bewegen en het groepsgedrag werkt die beweging ook in de hand. In de natuur liggen paarden maar een paar uur per dag, voor de rest grazen ze en bewegen ze. Maar een jong dier heeft wel meer rust nodig dan een volwassene. Voor de situatie in de opfok betekent dit: maak de groep niet zó klein dat de minste van de pikorde geen rust krijgt. Een 2,5-jarige die gezond is opgegroeid is eigenlijk al een halve atleet. Hij is klaar om getraind te worden, bijvoorbeeld voor de hengstenkeuring. Maar een even oud paard dat veel uren op stal heeft doorgebracht, daardoor vaak te vet is geworden en sporadisch – en explosief – heeft bewogen, staat op grote achterstand. Door de bewegingsexplosies kunnen al zwakke plekken of blessures zijn ontstaan. In elk geval heeft het ongezond opgefokte jonge paard veel meer tijd nodig om zijn lichaam aan trainingsarbeid te laten wennen.

'Plofkip'

De opfok heeft dus een wezenlijke invloed op de trainbaarheid van het jonge paard, maar ook op zijn levensduur. Bij de als ‘plofkip’ opgefokte jonge paarden ontstaan soms blessures op de plaats waar banden aanhechten op het botvlies. Zoals de bovenste rand van het straalbeen en op de spatplaats. Op de plek van de blessure ontstaat kalkvorming en dat is later terug te zien als veranderingen op de röntgenfoto’s. Daarnaast lopen slecht opgefokte paarden een aanzienlijk groter blessurerisico als je met ze gaat werken. Hun spierontwikkeling is immers achtergebleven en daarmee ook het vermogen om de beweging te coördineren. Zij worden in de training snel moe, dan laat de spierkracht het afweten en moet het steunapparaat (botten, banden, pezen) de klappen opvangen die anders door spieren zouden zijn verwerkt. Ook hier ontstaan dan vaak problemen op plaatsen waar pezen aanhechten op bot.

Verdikte gewrichten

De opfok heeft dus een wezenlijke invloed op de trainbaarheid van het jonge paard, maar ook op zijn levensduur. Bij de als ‘plofkip’ opgefokte jonge paarden ontstaan soms blessures op de plaats waar banden aanhechten op het botvlies. Zoals de bovenste rand van het straalbeen en op de spatplaats. Op de plek van de blessure ontstaat kalkvorming en dat is later terug te zien als veranderingen op de röntgenfoto’s. Daarnaast lopen slecht opgefokte paarden een aanzienlijk groter blessurerisico als je met ze gaat werken. Hun spierontwikkeling is immers achtergebleven en daarmee ook het vermogen om de beweging te coördineren. Zij worden in de training snel moe, dan laat de spierkracht het afweten en moet het steunapparaat (botten, banden, pezen) de klappen opvangen die anders door spieren zouden zijn verwerkt. Ook hier ontstaan dan vaak problemen op plaatsen waar pezen aanhechten op bot.

Professionals

Het moment waarop een paard bereden gaat worden is arbitrair. Renpaarden worden als tweejarige al onder de man getraind, rijpaarden gaan vaak wat later onder het zadel. Tegen de bestaande praktijk in de rijpaardwereld bestaat geen enkel veterinair bezwaar. Zoveel te belangrijker is de manier waarop jonge paarden zadelmak worden gemaakt. Vanuit veterinair oogpunt is dat een karwei dat je beter aan professionals over kunt laten. Want in deze fase van de training kan er nogal wat misgaan. Fysiek is ook een jong paard heel goed in staat om ruitergewicht te dragen. Maar in het leven van een paard is het vooral een grote emotionele gebeurtenis om voor het eerst met een ruiter op zijn rug te worden geconfronteerd. Daar komt natuurlijk al heel snel stress bij kijken. Onderdeel van het vakkundig zadelmak maken is het zo veel mogelijk onder controle houden van stress-veroorzakende factoren. Bij een beperkt stressniveau blijft het paard leren en zal het minder snel extreme bewegingen maken.

Balans houden

Nogmaals: ook een jong paard is zeer goed in staat om een ruiter te dragen. Maar niet als die ruiter geen balans kan houden. Een ruitergewicht dat tegenwerkt, veroorzaakt een piekbelasting van honderden kilo’s. Hierdoor kunnen overal in het paardenlichaam blessures – en soms zelfs levenslange schade – ontstaan. Ook om deze reden is zadelmak maken en inrijden eigenlijk professioneel werk. Het is dus heel belangrijk om zelf als ruiter steeds je balans te houden. Een dressuurzadel – dat uitnodigt tot doorzitten – is gedurende de hele eerste fase van het inrijden af te raden. Gebruik juist een veelzijdigheidzadel en een band om de hals om je evenwicht te bewaren en de mond te sparen.

Conclusies

Heel houden betekent bij het beleren van jonge paarden vooral: pak het professioneel aan. Schade en blessures zijn te voorkomen met een gezonde opfok, door controle over de beweging te houden, door de rust te bewaren, stress zo veel mogelijk in te dammen en door het jonge paard met veel gevoel voor balans in te rijden.

Respect

Jan Greve: “Paarden kennen het woord ‘respect’. Dat bepaalt de sociale rangorde. ‘Medelijden’ en ‘mantelzorg’ kennen ze niet. Om met paarden om te gaan moeten ze naar de mens luisteren. Alleen dan zijn ze bereid en in staat om iets te leren. Snapt een paard iets niet, dan komt het vluchtgedrag bovendrijven. Paniek neemt de overhand en het hele leerproces is verstoord. Dus moeten we langzaam, consequent en rustig uitleggen wat we willen. De orde moet gehandhaafd worden om onderricht te kunnen geven.”

Op eigen benen

Jacques Maree: “Longeren is een mooie manier om paarden zonder ruitergewicht op hun rug toch systematisch te kunnen trainen. Belangrijk is dat de paarden leren om op eigen benen te lopen; ze moeten zelf hun gewicht verdelen over hun benen. Een wand lijkt dan een goed hulpmiddel, je denkt dat het paard daar steun aan heeft en dat de longeur dan meer controle kan uitoefenen. In werkelijkheid is het beter om in de vrije ruimte te longeren, dan leert het paard sneller en beter op eigen benen te lopen.” [post_title] => 3. Gezonde opfok is beste begin van de training [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 3-gezonde-opfok-is-beste-begin-van-de-training [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:10:45 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:10:45 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=926 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 923 [post_author] => 3 [post_date] => 2013-04-07 13:05:44 [post_date_gmt] => 2013-04-07 13:05:44 [post_content] => DOETINCHEM – Veel jonge sportpaarden raken geblesseerd als gevolg van training. Terwijl de bedoeling van deze training juist is om paarden fitter, sterker, atletischer en succesvoller te maken. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van Paardenkliniek De Watermolen uit Haaksbergen en Jacques Maree van Paardenkliniek Honselersdijk hebben niet alleen reeds duizenden patiënten behandeld, zij zijn allebei ook al tientallen jaren zeer nauw betrokken bij fokkerij en topsport. In deze serie artikelen over het trainen van paarden spiegelen Greve en Maree hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer. In de eerste aflevering sneden Jacques Maree en Jan Greve het functionele exterieur van het sportpaard aan. Ze keken als eerst naar het onderste deel van het fundament. Omdat daar – onder het spronggewricht c.q. de voorknie – minstens zeventig procent van alle kreupelheden gelokaliseerd wordt. We vervolgen nu deze serie door naar de andere aspecten van het functionele exterieur te kijken. En dat begint met een blik op de paardenbenen als geheel. Zoals de voetas (de denkbeeldige lijn door het midden van de hoef en de koot) ononderbroken moet zijn, zo moet in het voorbeen ook de lijn door het midden van de pijp en de onderarm één recht geheel vormen. Want dan worden de krachten goed verdeeld. In de vorige aflevering bleek al dat een korte pijp bijdraagt aan de soliditeit van het kogel-draagapparaat. Uit biomechanisch onderzoek is gebleken dat de bovenarm (die de elleboog met het boeggewricht verbindt) juist lang moet zijn. Dit is gunstig voor de spieren die het ellebooggewricht bedienen. Van alle onderdelen van het voorbeen draagt de elleboog het meest bij aan de gewenste expressie in het voorbeen.

Laag geplaatst spronggewricht

Voor het achterbeen is het zo mogelijk nog belangrijker dat het pijpbeen relatief kort is ten opzichte van schenkel en dijbeen. Niet alleen vanwege de stabiliteit van het kogel-draagapparaat, ook omdat een korte pijp een lage plaatsing van het spronggewricht mogelijk maakt. Een betrekkelijk laag geplaatste sprong is gunstig voor de overbrenging van de krachten die door de achterbenen worden gegenereerd. Zoals een haas beter kan springen dan een kip, zo ontwikkelt een springpaard met een laag geplaatst spronggewricht meer kracht in de afzet. En een dressuurpaard met een dergelijk gebouwd achterbeen kan zich beter dragen en gemakkelijker tot verzameling komen. In verband met de verdeling van krachten in het achterbeen wordt een hoek van ongeveer 150 graden in het spronggewricht als gunstig beschouwd. Als de hoeken in het achterbeen aanzienlijk kleiner zijn, kunnen de weke delen rond de gewrichten het zwaarder te verduren krijgen. Uit wetenschappelijk onderzoek is naar voren gekomen dat paarden met klein gehoekte achterbenen een groter kreupelheidsrisico lopen. Maar voor paarden met een krom achterbeen geldt hetzelfde als wat Jan Greve en Jacques Maree in de eerste aflevering stelden over een incorrecte bouw van het fundament: in individuele gevallen kunnen paarden er soms prima mee uit de voeten. Maree en Greve kunnen ook niet één plek aanwijzen waar blessures vaak ontstaan als het achterbeen erg ‘krom’ is. En als een paard verder gezond is en veel aanleg toont, zullen zij het vanwege een krom achterbeen zeker niet laten staan.

Steil achterbeen

Een erg steil achterbeen kan vanwege de ongelijke krachtsverdeling resulteren in een weke koot, in de vorige aflevering besproken als een potentieel probleem. Maar een hoek in het spronggewricht die beduidend groter is dan 150 graden hoeft niet automatisch gecombineerd te zijn met een weke koot. Als het kogel-draagapparaat solide is (zie De Paardenkrant 14, pag. 19), vormt een steil achterbeen op zich geen probleem. De laatste opmerking die Greve en Maree willen maken over het fundament betreft de omvang. Een teer fundament dat niet past bij het totale formaat van het paard is blessuregevoeliger dan vier paardenbenen die qua omvang passen bij de bovenbouw.

Rug en lendenen

Het functionele exterieur van het sportpaard omvat – naar de mening van Jan Greve en Jacques Maree – twee hoofdzaken. Behalve het fundament heeft vooral de bovenbouw – de rug en de lendenen – effect op het duurzaam functioneren van het sportpaard. Ieder op z’n eigen manier heeft elk type sportpaard een rug nodig om zijn werk te doen. Rug en lendenen vormen vooral een brug vanaf de achterhand, waar een belangrijk deel van de bewegingsactiviteit wordt ontplooid, naar de rest van het paardenlichaam. Daarnaast draagt het paard het ruitergewicht op zijn rug. Spierkracht is voor al deze activiteiten onmisbaar. Toch zien we vaak genoeg paarden die heel arm gespierd zijn in de bovenlijn en daardoor beperkt worden in hun atletische capaciteiten. Greve en Maree stellen dat een slecht gespierde bovenlijn het gevolg is van een eerder opgelopen aandoening ergens in het lichaam – dat hoeft niet in de rug of de lendenen te zijn geweest – waardoor het betreffende paard zich abnormaal heeft ontwikkeld. Een goed functionerend jong paard dat een probleemloze opfok achter de rug heeft, is van nature voorzien van de benodigde bespiering in de bovenlijn om opgeleid te worden tot sportpaard. En een correcte training zal leiden tot een zekere toename van de bespiering, al naar gelang de gevraagde arbeid.

Dressuurpaarden

Als het om het totale exterieur gaat, maken Greve en Maree een onderscheid tussen dressuurpaarden en andere rijpaarden. Vanwege de esthetische beleving van de dressuursport worden er in deze fokrichting toch andere eisen aan het exterieur gesteld. Het helpt als een dressuurpaard voorbenen heeft die lang genoeg zijn om de romprichting minstens parallel aan de bodem te laten zijn. En als de hals van het dressuurpaard voldoende lengte heeft en opwaarts welft, met een lichte hoofd-halsverbinding. Maar beide dierenartsen benadrukken dat dressuurprestaties alleen ontstaan door de manier van bewegen, en dan met name door het achterbeengebruik. Niet de lichaamshouding is doorslaggevend, maar de mate waarin het paard zijn passen kan coördineren. Die coördinatie is weer een kwestie van spierkracht, waarbij het dragende achterbeen de hoofdrol vertolkt.

Springpaarden

Dressuurpaarden zijn in een bepaalde mate te vormen en ze kunnen veel dingen leren. Dit in tegenstelling tot springpaarden, waarbij het meeste afhangt van hun persoonlijke talent en hun specifieke mentaliteit. Door training ontwikkelen zij hun eigen talent en ze hanteren daarbij hun eigen manier van springen. Achter een variëteit aan springmanieren en -talenten gaat dan ook een variëteit aan exterieurtypen schuil.

Dienaren van Moeder Natuur

Het is opmerkelijk dat juist twee van Nederlands succesvolste paardenartsen zichzelf een beperkte rol toedichten als het om het genezen van paarden gaat. Jan Greve en Jacques Maree zien zichzelf als dienaren van Moeder Natuur. Greve: “We kunnen wel een handje helpen, als een paard een infectie heeft of als hij iets gebroken heeft. Dan doden we de bacteriën met medicijnen, of we spalken het gebroken bot. Maar de echte genezing ontstaat door natuurlijke processen. Door het aanmaken van antilichamen of door nieuw botweefsel aan te maken op de plek waar de breuk zit.” Maree: “Op de plaatsen waar paarden het vaakst geblesseerd raken, de pezen en de banden, daar kunnen we eigenlijk het minst doen. Ook met de nieuwste methoden, zoals stamceltherapie, kunnen we bij paarden helaas nog niet zoveel. Daarom luidt het devies: heel houden!”

‘Johan Neeskens’

Zoals er topvoetballers zijn met een enorm incasseringsvermogen, zo zijn er ook toppaarden die niet zeuren als ze iets voelen. Jan Greve en Jacques Maree vergelijken dit soort paarden met Johan Neeskens van Ajax en Barcelona. Deze verdedigende middenvelder deelde veel tikken uit en kreeg met gelijke munt terugbetaald. Toch was Neeskens zelden geblesseerd. De mentale hardheid van sommige paarden verklaart waarom zij met incorrectheden of fysieke ongemakken kunnen leven. [post_title] => 2. Functioneel fundament en bespierde bovenbouw [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 2-functioneel-fundament-en-bespierde-bovenbouw [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:08:32 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:08:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=923 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 918 [post_author] => 3 [post_date] => 2013-04-02 13:00:27 [post_date_gmt] => 2013-04-02 13:00:27 [post_content] => DOETINCHEM – Gespecialiseerde paardenartsen kunnen erover meepraten. Over jonge sportpaarden die geblesseerd raken als gevolg van training. Terwijl de bedoeling van deze training juist is om paarden fitter, sterker, atletischer en succesvoller te maken. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van Paardenkliniek De Watermolen uit Haaksbergen en Jacques Maree van Paardenkliniek Honselersdijk hebben niet alleen reeds duizenden patiënten behandeld, zij zijn allebei ook al tientallen jaren zeer nauw betrokken bij fokkerij en topsport. In deze serie artikelen over het trainen van paarden spiegelen Greve en Maree hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer. De bouw van een paard is het uitgangsmateriaal waarmee dat paard zich laat trainen. Het spreekt voor zich dat verschillen in bouw gevolgen kunnen hebben voor de trainbaarheid en de belastbaarheid. Daarom besteden we in deze serie eerst aandacht aan het functionele exterieur van het sportpaard. Weinig paardenkenners zullen de algemeen bekende, op natuurkundige wetten gebaseerde leer over de correctheid van het exterieur afwijzen. Duidelijk holle, bolle, franse en toontredende voorbenen, bijvoorbeeld, zijn niet wenselijk. De belastende krachten moeten nu eenmaal zo gelijk mogelijk over de gewrichten worden verdeeld en afwijkingen leiden in principe altijd tot een meer eenzijdige belasting. Toch wordt er onder paardenartsen verschillend gedacht over de interpretatie van incorrecte beenstanden en over de voorspelbaarheid van de blessures die daar eventueel uit kunnen voortvloeien. Volgens Jan Greve en Jacques Maree kunnen paarden in individuele gevallen heel goed met hun incorrectheid leven. En het is al helemaal niet zo dat een volledig correct exterieur een paard kan behoeden voor overbelasting en blessures. [caption id="attachment_933" align="aligncenter" width="300"] Jacques Maree[/caption]

Zeventig procent

[caption id="attachment_920" align="alignright" width="198"] Schematische weergave van het kogel-draagapparaat[/caption] Als het om het exterieur gaat, ligt de focus van Greve en Maree op het fundament onder het spronggewricht en de voorknie. In dat onderste deel van de paardenbenen lokaliseren zij minstens zeventig procent van alle kreupelheden. Dit heeft een aantal oorzaken. De relatief zeer grote massa van het paard, in combinatie met de snelheid van beweging, komt in elke pas op het bijzonder kleine oppervlak van één of twee paardenvoeten neer. ‘No feet, no horse’. Het is een cliché, maar Greve en Maree benadrukken dat het maar al te waar is. Tussen hoef en voorknie of spronggewricht bevindt zich een tweede delicaat gebied dat gevoelig is voor overbelasting: het kogel-draagapparaat. Doordat het paard op één ‘nagel’ loopt, moeten de pezen die het onderbeen buigen ter hoogte van het kootgewricht ‘het hoekje om’. Dit systeem maakt het noodzakelijk dat een belangrijk deel van de energie die voortvloeit uit zwaartekracht en beweging in elke pas wordt opgevangen en opgeslagen in elastisch weefsel. Het kogel-draagapparaat bestaat onder meer uit weke delen rond het kootgewricht, die stevigheid geven aan de kogel. Ze maken deel uit van de verende constructie waarmee het paard zich als atleet kan onderscheiden en ze voorkomen dat het paard daarbij te veel doorzakt.

Zijdelingse bewegingen

In het gebied van het kogel-draagapparaat bevinden zich geen spieren. De activiteit van de hoger gelegen spieren moet door de lager gelegen pezen en banden worden verwerkt. Daar komt bij dat de gewrichten beperkt bewegelijk zijn: paardenbenen kunnen alleen naar voren en naar achteren bewegen. Zijdelingse bewegingen moeten dus door banden en pezen worden opvangen. Als je kijkt naar de functie van de hoeven en naar die van het kogel-draagapparaat, dan volgt daar eigenlijk al uit hoe deze onderdelen van het fundament geconstrueerd moeten zijn om belasting goed te kunnen verwerken. Eerst gaan we in op de bouw van de hoeven, daarna kijken we naar het kogel-draagapparaat.

Symmetrie

Het belangrijkste aan de hoeven is symmetrie. Het feit dat hoeven links en rechts gelijk gevormd zijn is nog belangrijker dan de precieze vorm van de hoeven. Ongelijke voorvoeten duiden op ongelijke belasting in de jeugd. In wetenschappelijk onderzoek is het verband gelegd met het fourageergedrag van veulens, het zogenaamde ‘graasvoetje’ dat zou ontstaan door de spreidstand bij het grazen. Omdat alles wat gezond is zich tijdens de groei symmetrisch ontwikkelt, denken Maree en Greve dat een ziekteproces in de jeugd de oorzaak is. Een tijdelijk pijnlijke voet – bijvoorbeeld door een ontsteking – heeft naar hun oordeel de ongelijke ontwikkeling van de voorvoeten veroorzaakt. Een veulen met een pijnlijke voet zal de andere voet gebruiken om het meeste gewicht te dragen. Vooral voor dressuurpaarden zijn symmetrische voeten essentieel. Gelijke voeten betekent gelijke gewichtsverdeling en een gebalanceerde bewegingsvorm. Als de ongelijke verwerking van krachten in asymmetrische voeten geen kreupelheid tot gevolg heeft – wat overigens wel frequent voorkomt – dan leidt de ongelijkheid wel tot onbalans en ‘mechanische kreupelheid’, wat vooral bij het uitstrekken in draf goed zichtbaar is. Maar ook bij het appuyement en de schouderbinnenwaarts ontstaat dan gemakkelijk onbalans.

Hoefvorm

Niet alleen de symmetrie, ook de vorm van de hoeven is van belang om het paard langdurig goed te laten functioneren. De hoeven dienen voldoende ontwikkelde en gelijke verzenen te hebben, mogen niet te steil zijn en met een brede straal. De vorm van de voet moet passen bij het ras. Bij een Trakehner is een wat smallere voet bijvoorbeeld niks bijzonders. Een simpele test of een paard gezonde voeten heeft is altijd nog het voordraven op een harde bodem. Het is natuurlijk een goed teken als een paard dat met kracht en afdruk doet. Is er echter sprake van een groot verschil tussen de draf op een zachte en op een harde bodem, dan kan dit duiden op pijnlijke voeten.

Blokvormige achtervoet

Een blokvormige achtervoet is een slecht voorteken. Deze afwijkende vorm van de achterhoeven ontstaat doordat de hoef aan de voorzijde, bij de kroonrand, minder snel groeit dan aan de achterzijde, bij de hoefbal. Deze hoefvorm leidt op latere leeftijd vaak tot blessures die een verdere ontwikkeling in de sport in de weg staan. Heel belangrijk is dan ook de hoek die de voetas – de denkbeeldige lijn door het midden van de hoef van opzij bezien – maakt ten opzichte van de bodem. Deze lijn moet ononderbroken zijn van de onderzijde van de hoef tot aan de kogel. De hoek met de bodem moet in de voorvoeten ongeveer 45 a 50 graden zijn. De achtervoeten en –koten zijn altijd iets steiler, namelijk tussen de 55 en 60 graden. Een kleinere hoek – een weke koot – kan gemakkelijk leiden tot problemen in het kogel-draagapparaat.

'High suspensory'

De tussenpees speelt daarbij een belangrijke rol. Deze loopt vanaf vlak onder de voorknie of het spronggewricht tot de kogel en hecht daar aan op de sesambeentjes. Vanuit de sesambeentjes lopen er banden naar koot- en kroonbeen. De tussenpees is het onderdeel van het kogel-draagapparaat dat het nogal eens moet ontgelden. Greve en Maree zien dan vaak een relatie met een weke koot. Het al te zeer doorzakken in de kogel veroorzaakt een overmatige belasting van de tussenpees. Op de zwakste plek ontstaat dan de schade en dat is vaak de oorsprong – het begin – van de tussenpees, ter hoogte van de aanhechting onder spronggewricht of voorknie. Vooral bij dressuurpaarden komt deze blessure aan de ‘high suspensory’ vaak voor en dat dan weer vaak in combinatie met een weke koot. De functie van het kogel-draagapparaat brengt met zich mee dat de afstand die benodigd is om de neerwaartse krachten te verwerken zo kort mogelijk moet zijn. Hoe langer het kogel-draagapparaat, hoe ‘wiebeliger’ de constructie. Anders gezegd: een kort pijpbeen bevordert een solide verwerking van neerwaartse krachten.

Conclusies ten aanzien van het exterieur

Gunstig voor de toekomst van een sportpaard zijn:
  • symmetrisch gevormde hoeven met voldoende verzenen
  • een ononderbroken voetas, die een hoek van 45 – 50 graden, respectievelijk 55 - 60 graden vormt met de bodem
  • korte pijpen

Geringe doorbloeding

Een bijkomend probleem van de zeer delicate onderste delen van het fundament betreft de doorbloeding. Bij gebrek aan spieren is hier sprake van een geringe aan- en afvoer van bouw- en afvalstoffen via de bloedstroom. Dat maakt het genezingsproces in pezen en banden heel lastig en soms onmogelijk. Voorkomen is – als het om problemen in de voet en het kogel-draagapparaat gaat – zéér veel beter dan genezen.
>> In de volgende aflevering (deel 2) meer over het functionele exterieur van het sportpaard
  [post_title] => 1. Exterieur: delicate delen onder voorknie en sprong [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 1-trainen-en-heelhouden-exterieur-delicate-delen-onder-voorknie-en-sprong [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:09:57 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:09:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=918 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 6 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 939 [post_author] => 3 [post_date] => 2013-09-22 13:28:02 [post_date_gmt] => 2013-09-22 13:28:02 [post_content] => DOETINCHEM – Veel sportpaarden raken niet fitter en sterker, maar juist geblesseerd als gevolg van training. In een serie artikelen laat De Paardenkrant de lezer meekijken door de ogen van twee zeer ervaren paardenartsen. Jan Greve van Paardenkliniek De Watermolen uit Haaksbergen en Jacques Maree van Dierenkliniek Honselersdijk spiegelen hun expertise als dierenarts aan hun ervaring als paardenman. En zij delen hun kennis met de lezer. Een gemiddelde tennisspeler zal zich zeer beslist door Roger Federer met drie keer 6 – 0 van de baan laten slaan. Dat is voor een mens wel aardig om een keer mee te maken, maar als sporter krijg je er al gauw de balen van als je elke dag tegenover Federer zou komen te staan. Elke keer weer zou je dan dingen moeten doen die het uiterste van je vergen en – hoezeer je ook je best doet – telkens opnieuw zou op een pijnlijke manier blijken dat je tegen deze taak niet opgewassen bent. Veel sportpaarden staan elke dag tegenover Roger Federer. Ze moeten dingen doen die ze niet kunnen of waar ze nog niet aan toe zijn. Ze willen eigenlijk wel, maar ze hebben een ruiter die hen niet begrijpt. En die onmogelijke dingen van hen vraagt. Paarden tonen van nature op een aandoenlijke manier de wil om voor hun ruiter te werken. Zeshonderd kilo zwaar, vaak voorzien van een eindeloze hoeveelheid energie en steeds bereid om dingen te leren. Maar dat lukt alleen als de ruiter gebruikmaakt van het specifieke leervermogen van zijn paard. Alleen als de ruiter zijn paard snapt, snapt het paard zijn ruiter. De kunst van de rijkunst is om het paard te laten doen wat wij leuk vinden. Maar één ding is zeker: het paard laat zich niet dwingen. De kunst is dus om het paard zélf de dingen te laten doen die wij van hem vragen. Ruiter en paard oogsten alleen successen als het paard in alle fasen van de opleiding zowel fysiek als mentaal is opgewassen tegen zijn taak. En als hij door goede communicatie met zijn ruiter snapt wat de bedoeling is.

Valkuil voor springruiters

In de springsport zie je jonge paarden in de barrage weleens dingen doen waar ze nog niet aan toe zijn. De eigenaar blij maken met een strik of een beker is een bekende valkuil voor springruiters. Ongecontroleerde acties in het parcours hebben niet alleen een duidelijk acuut blessurerisico, jonge paarden zijn ook gevoelig voor het zogenaamde triple F-syndroom: Fear, Flight en Fight, oftewel angst, vluchten en vechten. Hierbij komen hoge doses stresshormonen vrij zoals cortisol en adrenaline. Dierenartsen danken een deel van hun praktijk aan het feit dat sommige ruiters hun paarden niet snappen. Dóórtrainen als er bij het paard een barrière is – lichamelijk of mentaal – leidt onherroepelijk tot blessures. Maar ook overtraining is een probleem. Op het voorterrein zie je tot op het hoogste niveau dat paarden steeds weer bepaalde oefeningen moeten herhalen. Terwijl de bedoeling van het losrijden is dat het hoogtepunt van de inspanning pas daarna komt, in de wedstrijdring. Het lijkt dat de wens om uiterste controle te hebben dan de overhand krijgt. Of moet de ruiter vooral zijn eigen zelfvertrouwen opvijzelen, door op het voorterrein steeds maar weer die moeilijke oefening te herhalen?

‘High suspensory’ van het achterbeen

Feit is dat paardenartsen onder oudere dressuurpaarden problemen tegenkomen bij de hoge aanhechting van de tussenpees in het achterbeen. Eigenlijk dus het omgekeerde van de situatie die ze bij jonge dressuurpaarden aantreffen (‘high suspensory’ van het voorbeen). De zeer frequente herhaling van verzamelde oefeningen is de oorzaak. Bij springpaarden doen zich ook wel vrij regelmatig blessures aan de tussenpees voor, maar dan treedt de weefselschade vaak in het lagere deel van de tussenpees op. Sommige paarden worden niet moe in hun hoofd, maar hun benen worden dat wel! Vooral paarden met veel bloed en kwaliteit ‘vertellen’ niet dat ze moe zijn, maar hun ruiters moeten beseffen dat een bepaalde trainingsinspanning automatisch vraagt om een bepaalde rust. Over de vermoeidheidsgrens heen werken gaat ten koste van de coördinatie. Oververmoeide spieren vangen niet langer de bewegingsenergie op, die komt dan volledig voor rekening van pezen, banden en kapsels. Met blessures van deze weke delen als gevolg.

‘Verwende’ paardenbenen

Topsport staat gelijk aan het verleggen van fysieke en mentale grenzen. Vergeleken met dertig jaar geleden hebben sportpaarden tegenwoordig het voordeel dat ze op bodems lopen die zeer geschikt zijn voor het leveren van topprestaties. Maar dat voordeel is gelijk een nadeel: paardenbenen kunnen ook ‘verwend’ raken, niet voldoende weerbaar als de bodem een keer slecht is. Omdat er sprake is van een onberekenbare factor – de ruiter – is het lastig om hierin eenduidig te adviseren. Een slechte ruiter die zijn paard zo af en toe op een mindere bodem traint is wel de slechtst denkbare combinatie. Dat neemt niet weg dat paarden onder gecontroleerde omstandigheden kennis moeten maken met verschillende bodemomstandigheden. Zo af en toe longeren in een wat diepere bodem maakt de spieren sterker en het geeft prikkels aan de weefsels (kapsels en banden) die voor stabiliteit in de paardenbenen zorgen. Een instabiele bodem, die op onverwachte momenten onvoldoende steun biedt, is in alle gevallen slecht.

Krachtig spierpakket

Vermoeide spieren die de krachten van belasting en beweging niet aankunnen, leiden tot blessures aan verschillende soorten gewrichtsbanden. Zoals mensen hun enkelbanden scheuren, kunnen paarden schade oplopen aan bijvoorbeeld de banden van het hoefgewricht. Een paard met een goed getraind, krachtig spierpakket en met banden en kapsels die geconditioneerde prikkels hebben ontvangen, is het best voorbereid op het leveren van topprestaties.

Appuyeren

De knie in het achterbeen is een gecompliceerd gewricht met verschillende benige (meniscus, patella) en weke (kruis- en kniebanden) delen. Volgens Moeder Natuur bewegen paardenbenen alleen naar voren en naar achteren, maar in de hogere dressuurklassen wordt veelvuldig geappuyeerd. Door de frequente zijwaartse beweging ontstaat bij oudere dressuurpaarden soms een blessure in de knie: slijtage van de kruisbanden en/of de meniscus of artrose.

Zesde en zevende halswervel

[caption id="attachment_941" align="alignright" width="300"] Het stellen van de diagnose bij halsproblemen is lastig, maar vaak vermoeden dierenartsen dat de pijn in het gebied van de zesde en de zevende halswervel zit.
© WWW.ARND.NL[/caption] Sommige sportpaarden ondervinden halsproblemen. Op zich is dit voor het stellen van de diagnose een lastig terrein: in tegenstelling tot een kreupelheidsonderzoek van het fundament kan er in de hals niets ‘uitgeblokt’ worden. Maar vaak vermoeden dierenartsen al waar de pijn zit: in het gebied van de zesde en de zevende halswervel. Dierenartsen zijn niet zeker of hier sprake is van een gevoelige plek die bij een trauma (vastzitten in het voerhek, hangen aan het halster) als eerste geraakt wordt of dat verkeerde rijkunst de artrose veroorzaakt. Bekend is dat dressuurpaarden de meeste stresshormonen aanmaken en het meeste weerstand tonen als zij in de wedstrijdhouding lopen. Te veel en te ‘strak’ in een hoge houding gereden worden kan deze blessure in de hand werken. Maar ook erfelijkheid zou een rol kunnen spelen. “Halswervelartrose is een wezenlijk probleem”, zegt Jacques Maree. “Het zou interessant zijn om daar eens praktijkonderzoek naar te doen. Paarden met deze aandoening kunnen alleen nog maar met een lange hals lopen en soms ontstaan ook coördinatiestoornissen.”

Kissing spines

Voor veel dierenartsen is ‘kissing spines’ een omstreden diagnose. Op de röntgenfoto zie je weliswaar dat de doornuitsteeksels van de rug- of lendenwervels elkaar raken waardoor verkalking is ontstaan. Maar het is maar helemaal de vraag wat dit betekent. Jan Greve: “Op de röntgenfoto zie je alleen het puntje van de ijsberg, dat doornuitsteeksel. Maar er bevindt zich een veel groter en belangrijker gebied daaronder dat je niet ziet: het wervellichaam en nog drie andere uitsteeksels. Je kunt zo’n wervel inspuiten en je ervan vergewissen of dat verschil uitmaakt. Maar dan weet je nog niet precies waar het probleem zit.” Onderzoek van de Britse orthopedisch specialiste Sue Dyson wees uit dat het maken van röntgenopnamen van de rug in het kader van een aankoopkeuring geen nut heeft. Röntgenologische veranderingen in de rug komen bij paarden mét en paarden zónder rugklachten in bijna dezelfde frequentie voor. In de groep zonder rugklachten werden zelfs wat meer veranderingen gevonden, maar dit was in het kader van een wetenschappelijk onderzoek niet significant.

Pijn = braaf

Veel minder dan andere dieren tonen paarden dat ze pijn hebben. Als het probleem zich bevindt in een been of een voet zie je een duidelijk waarneembare kreupelheid. Maar een paard kan heel goed pijn hebben en níet kreupel zijn. Uit gedragsverandering is vaak af te leiden dat een paard pijn heeft. Een levendig paard dat op een gegeven moment erg braaf is en minder looplust toont, heeft naar alle waarschijnlijkheid pijn. [post_title] => 6. Als ruiter paard snapt, snapt paard ruiter [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => closed [post_password] => [post_name] => 6-als-ruiter-paard-snapt-snapt-paard-ruiter [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2018-11-02 10:13:53 [post_modified_gmt] => 2018-11-02 09:13:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://stagingpaardenkrant.horses.nl/?p=939 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 6 [max_num_pages] => 1 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => 1 [is_tag] => [is_tax] => [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => c8b55be76db8a4626580432eed0ea740 [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) )

6. Als ruiter paard snapt, snapt paard ruiter

5. Talent verdient het om beschermd te worden

4. Het belangrijkste zien we alleen in beweging

3. Gezonde opfok is beste begin van de training

2. Functioneel fundament en bespierde bovenbouw

1. Exterieur: delicate delen onder voorknie en sprong